Kunstschaatsen is mijn passie!!

                         

Om goed te kunnen kunstschaatsen moet je veel trainen!!

Inmiddels train ik 11 uur per week, dit zijn schaatstrainingen. 1,5 uur per week droograining, dit is voor het opbouwen van kracht voor de sprongen en 1 uur ballet per week.

      Het lijkt heel veel maar het is geweldig om te doen en ik doe het ook heel graag.

Mijn droom is dat ik de naar de Top ga.

Ik zou heel graag naar het NK, WK en natuurlijk de olympische spelen gaan. Dit houdt in nog heel veel trainen en wat jaartjes doorgroeien.

De wedstrijdgroep is een begin. Ik ben begonnen in de recreanten 1, daarna recreanten 3, Mini's en Mini's met test overgeslagen omdat ik in 1x beide testen heb gehaald. Hierdoor mag ik mee doen in de KNSB cup.

D.m.v. testen georganiseerd door de KNSB kan je verder komen naar de Top.(Zie "Testen")

Bij "News" kan je de laatste nieuwtjes over het kunstsschaatsen lezen.

In de zomer train ik in Hoorn en/of Zoetermeer en ik ga op trainingstage naar Duitsland, Oberstdorf. Dit jaar mag ik 2 weken. Dit is een zwaar maar héél leuk kamp. We trainen dan 3x op een dag schaatsen 1x droogtraining en een uur ballet. In het weekend gaan we wat leuks doen met zijn allen.

Trainingsuren en het kamp in Duitsland wil ik hel graag om beter te worden. Dit kost alleen veel geld. Nu probeer ik leden te werven voor Nova's Club van 50!! (zie tablad hiernaast).

Ik vind het leuk dat je even de tijd neemt om dit te lezen!!

Laat vooral een bericht achter in het gastenboek!

Dikke kus Nova

Flip
De tweede makkelijkste sprong heet ‘Flip’. De Flip lijkt erg veel op Spot. Het enige verschil is dat de schaatser achterwaarts op de binnenkant van zijn linkerschaats staat en inprikt met de punt van zijn rechterschaats om de rotatie in te gaan. Een Flip herken je vooral aan zijn inzet: de meeste schaatsers bereiden Flip voor door voorwaarts te glijden op de linkerschaats met het rechterbeen naar voor, waarna ze zich omdraaien om achterwaarts op de binnenkant van de linkerschaats te glijden. Het rechterbeen is tijdens het omdraaien naar achteren gebracht, zodat de uitvoerder met de punt van zijn rechterschaats het ijs in kan prikken.

Lutz
In staat zijn om de inzet van een sprong te herkennen komt misschien het beste van pas bij de Lutz, omdat het erg veel op Flip lijkt. Zoals bij Flip gebruik je de punt van je rechterschaats om af te springen. Het verschil is dat bij de Lutz je achterwaarts op de buitenkant van je schaats staat, voordat je inprikt. Dit kleine verschil in het plaatsen van je gewicht, maakt deze sprong veel moeilijker. Een manier om een valse Lutz te doen, is op het allerlaatste moment van schaatskant te veranderen (dit is bekend als Flutz, omdat het eigenlijk een Flip is dat vermomd wordt als Lutz). De inzet van de Lutz is zeer typisch, waardoor het gemakkelijk te herkennen is. Schaatsers doen hun Lutzen meestal in de hoeken van de ijsbaan na zeer lange, achterwaartse, diagonale inzet.

Kantsprongen

Salchow
De Salchow is naar Ulrich Salchow vernoemd, een schaatser uit het begin van de 20ste eeuw. Deze sprong springt af van de binnenkant van je linkerschaats. Typisch draait de schaatser tegenwijzerzin op het ijs om op de achterwaarts, binnenkant van de linkerschaats te staan voor de afsprong. Vervolgens brengt hij zijn rechterbeen met een swing naar voor en boven om zichzelf de lucht en rotatie in te lanceren. Deze swing maakt het mogelijk om momentum op te bouwen, waardoor deze sprong de makkelijkste kantsprong is.

Rittberger
De Rittberger (ook bekend als ‘Loop’ in het Engels en ‘Bucle’ in het Frans) is een van de moeilijkste sprongen die er is, omdat de rechterheup al het werk moet doen zonder hulp van een swing of een prik van het vrije been. Deze sprong wordt achterwaarts ingezet, glijdend op beide schaatsen met het linkerbeen voor en de voeten gekruisd. Dan springt de schaatser gewoonweg van een achterwaartse, buitenboog.

Axel
De Axel is waarschijnlijk de makkelijkst herkenbare sprong, omdat het de enige is die voorwaarts wordt afgesprongen. Alle andere sprongen beginnen en eindigen met een achteruit rijdende positie, maar de Axel springt af van een voorwaarts, links- buitenwaartse kant. Omdat het net zoals alle andere sprongen, achterwaarts eindigt, draait een Axel altijd een halve rotatie meer, zodat het moeilijker wordt dan andere enkel, dubbele en drievoudige sprongen.

Spot
De makkelijkste prik sprong is ‘Spot’(ook wel bekend als ‘Toe Loop’ in het Engels of ‘Piquer’ in het Frans). Voor de afsprong van Spot staat de schaatser achterwaarts op de buitenkant van zijn rechter schaats. Vervolgens prikt hij met de punt van zijn linkerschaats in het ijs en roteert dan linksom. Doordat deze sprong zo gemakkelijk is ( gewoon inprikken en springen), wordt het vaak gebruikt om de tweede helft van een combinatiesprong te vormen.